Op het vlak van de werkgelegenheid valt de balans nog minder rooskleurig uit. Het aandeel van de industrie in de totale tewerkstelling is gekrompen van 32,9% naar 13%, ofwel van meer dan 1,2 miljoen jobs in 1970 naar minder dan 600.000 jobs in 2011. Is pessimisme gerechtvaardigd of worden deze cijfers geregeld op een verkeerde manier geïnterpreteerd?
Een belangrijke reden waarom het aandeel van de industrie in zowel de toegevoegde waarde als de werkgelegenheid zakt, is dat deze – in tegenstelling tot verscheidene activiteiten in de dienstensector (met name in de niet-marktsector) – sterk blootstaat aan internationale concurrentie. Dit maakt dat de industrie vaak op een andere manier op kostenstijgingen zal reageren. In de periode 2000-2011 namen de loonkosten per werknemer in de industrie en de dienstensector nagenoeg even sterk toe. Omwille van de sterke, internationale concurrentie kunnen vele industriële bedrijven deze kostenstijgingen echter niet integraal doorrekenen in de prijs. Het resultaat is dat de productiviteit sterk moet worden opgekrikt: sinds 2000 nam deze in de industrie met gemiddeld 2% per jaar toe tegenover slechts 0,3% in de dienstensector. Het gevolg hiervan is dat amper 30% van de loonkostenstijging uiteindelijk werd doorgerekend in de prijs tegenover bijna 90% in de dienstensector.
Toegevoegde waarde blijft stijgen
Een belangrijke verklaring waarom het aandeel van de industrie in de totale toegevoegde waarde zakt, is dus omdat de prijzen er veel minder sterk stijgen. Dit zorgt er immers voor dat de toegevoegde waarde (uitgedrukt in nominale termen) in de dienstensector sterker toeneemt dan in de industrie. Wanneer we echter voor dit prijseffect corrigeren, dan krijgen we plots een totaal ander beeld (grafiek 1). Tussen 1970 en 2005 nam de toegevoegde waarde (uitgedrukt in reële termen) sterker toe in de industrie dan in de dienstensector. De afgelopen jaren is hier evenwel een kentering gekomen (o.a. omwille van de crisis). De conclusie die we uit dit alles kunnen trekken, is dus dat onze industrie – niettegenstaande de moeilijkheden in de recente periode – wel degelijk nog een belangrijke bijdrage aan onze economische groei blijft leveren.

Een ander gevolg van de verschillende productiviteitsontwikkelingen in respectievelijk de industrie en de dienstensector zien we op het vlak van de werkgelegenheid. Tussen 2000 en 2011 nam de toegevoegde waarde in de industrie met gemiddeld slechts 0,4% per jaar toe. Omdat de productiviteit met gemiddeld 2% per jaar steeg, kon deze extra toegevoegde waarde dus gerealiseerd worden met minder mensen: het resultaat is dat over deze periode de industriële tewerkstelling met gemiddeld 1,5% per jaar afnam. Een ander beeld zien we in de dienstensector: niet alleen nam de toegevoegde waarde er over deze periode sterker toe (met gemiddeld 1,8% per jaar), maar omdat de productiviteit er amper steeg (+0,3%), konden er veel bijkomende jobs worden gecreëerd (gemiddeld 1,4% per jaar).
Industrie speelt cruciale rol
Het huidige pessimisme over de teloorgang van de industrie dient dus te worden genuanceerd. Het klopt inderdaad dat de industriële tewerkstelling achteruitgaat, maar over een langere periode gezien blijft de toegevoegde waarde er stijgen. De industrie zorgt bovendien ook voor veel toegevoegde waarde en jobs in de andere sectoren van de economie (o.a. door de vraag die van haar uitgaat). Het gros van de investeringen (o.a. in onderzoek en ontwikkeling) vindt eveneens in de industrie plaats. Ten slotte, nog steeds bijna 80% van onze export bestaat uit goederen: de industrie blijft dan ook van ontzettend groot belang indien we ons overschot op de handelsbalans in de toekomst wensen te vrijwaren.
Concurrentiekracht verslechtert
Is alles dan koek en ei? Toch niet. Andere landen (zoals bijvoorbeeld Zweden, Duitsland en Oostenrijk) slagen er immers in om de toegevoegde waarde van hun industrie sterker te laten groeien, waardoor ook de terugval in de werkgelegenheid er beperkter uitvalt (grafiek 2).

Wat doen deze landen dan beter dan wij? Allereerst hebben ze hun loonkostenontwikkeling meer onder controle: terwijl de loonkosten per eenheid product (d.w.z. gecorrigeerd voor de toename in de productiviteit) in België in de periode 2000-2011 met gemiddeld 0,9% per jaar toenamen, daalden deze in Duitsland en Zweden (in Oostenrijk stegen ze licht met 0,1%). Dit creëerde allerlei kansen voor de industriële bedrijven in deze landen. Zo beschikten ze bijvoorbeeld over de mogelijkheid om hun afzetprijzen minder sterk te laten stijgen, waardoor ze hun relatieve kostenpositie zagen verbeteren. Anderzijds, indien de markt het toeliet (wat tot vóór het uitbreken van de crisis geregeld het geval was), dan konden ze ook beslissen om hun prijzen op het huidige niveau te handhaven, waardoor de winstgevendheid kon worden verbeterd. Hierdoor konden dan weer meer middelen worden vrijgemaakt om in de groei en in de vernieuwing van de onderneming te investeren. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat onder andere op het vlak van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling deze landen vaak beter presteren dan België: een euro kan men, jammer genoeg, slechts eenmaal uitgeven.